
![]() | HET LEGE GRAF Henk Binnendijk |
Het is zondagmorgen. Of eigenlijk nog bijna nacht. Toch lopen al enkele vrouwen door de straten van Jeruzalem. Ze gaan de poort uit en komen buiten de stad. De opkomende zon, zelf nog verborgen achter de bergen, strooit prachtige kleuren voor zich uit. Eerst roze, langzaam overgaand in oranje en geel. Maar dat zien de vrouwen niet. Ze hebben er geen oog voor. Hun hart is vol verdriet. Ze zijn op weg naar een graf. Naar het dode lichaam van Iemand van wie zij hielden. Ze praten niet veel. Er valt tenslotte niet veel te zeggen over een graf.
Hoewel, er is toch wel een probleem. Hoe moeten zij de steen weg krijgen, die voor het graf ligt? Ze hebben vrijdagavond wel gezien hoe die mannen de steen voor het graf wentelden, maar dat waren mannen. Zouden zij als vrouwen dat ook kunnen? Ze kunnen het in elk geval proberen. Ze zijn blij met wat Jozef en Nikodemus vrijdag nog zo haastig hebben gedaan. Dat hadden ze van deze voorname mannen nooit gedacht. Dat zij dat voor Jezus zouden doen. Het leek het enige lichtpuntje te zijn bij alles wat die dag was gebeurd. Maar het was natuurlijk niet genoeg. Het was allemaal zo haastig gegaan. Gelukkig dat ze het nu in alle rust kunnen afmaken. Ze hebben specerijen bij zich en zullen zijn lichaam goed verzorgen. Dat is tenslotte het enige wat ze nog konden doen.
Vol met deze sombere gedachten komen ze bij de hof van Arimatea. Regelrecht gaan ze naar die hoek van de hof, waar het rotsgraf is. Maar plotseling staan ze stil. Als aan de grond genageld. Het graf is open. De steen is weggewenteld. Komt er dan nooit een einde aan die ellende? Kunnen ze zelfs zijn dode lichaam niet met rust laten? Al die vijandschap die ze vrijdag hebben gezien, overvalt hen weer. Verslagen en hulpeloos staan ze voor het open graf. Wat nu? “Ik ga Petrus halen en Johannes,” zegt Maria van Magdala. Ze rent weg en als ze Petrus en Johannes heeft gevonden, zegt ze hijgend: “Zij hebben de Here weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem hebben neergelegd.”
De Here weggenomen uit het graf? Dat zal toch niet waar zijn? Wie kan zoiets nou doen? Snel gaan ze mee. Ze rennen bijna door de straten. Johannes nog sneller dan Petrus. Durft Petrus niet zo erg? Hij is gewend altijd de eerste te zijn. Maar juist daardoor is hij de laatste dagen zo in zichzelf teleurgesteld. Zijn zelfvertrouwen is behoorlijk gedeukt. Hij voelt zich onzeker. Wat staat hen te wachten, daar in die hof? Als hij bij het graf aankomt, is Johannes daar al. Inderdaad, het graf is open! Johannes staat voorovergebogen bij de opening. Zwijgend loopt Petrus hem voorbij en gaat naar binnen. Geen lichaam. Wel de kostbare windsels, netjes opgerold. En daar aan de andere kant, de zweetdoek, die Hij om zijn hoofd had. Meer niet.
Ook Johannes komt nu het graf binnen. Hij ziet de opgerolde windsels en de zweetdoek. Niets duidt erop dat hier ’s nachts mannen zijn geweest om het lichaam te roven. Het heeft veel meer van een verzorgde slaapkamer. Ja, zo lijkt het. Alsof de meester gewoon is opgestaan, alles netjes heeft opgevouwen en is weggegaan. Opgestaan? Johannes houdt de adem in. Heeft de meester daar niet over gesproken? Dat Hij zou lijden en sterven en dan opstaan? Plotseling herinnert Johannes zich een ander graf. Dat van Lazarus. Hij ziet de meester daar nog als een koning voor staan. Hij hoort het hem nog zeggen: “Ik ben de Opstanding.” Ja, hij ziet het nu helder. De Here is opgestaan uit de dood. Dat was zijn geheim. Daarom gaf Hij zich zo vrijwillig over. O, het zingt in zijn ziel. Hij staat op. Hij wil alleen zijn.
Het is nog stiller geworden in de tuin. Iedereen is weggegaan. Maar Maria van Magdala kan dat niet. Ze blijft alleen achter. Waar zou ze heen moeten? Nu het lichaam weg is, heeft ze alleen nog maar het graf. Ze kan er nog niet toe komen dat te verlaten. Ze loopt naar het graf en leunt vermoeid tegen de rotswand. En ze huilt. Ze heeft zich nog nooit zo ellendig gevoeld. Als die gevoelens van vroeger dreigen haar weer te overspoelen. Gevoelens van depressie, spanning en angst. Zal die hel van toen weer terugkomen? Ze buigt zich voorover en kijkt in het lege graf. Wat is het licht daar. Ze knippert met haar betraande ogen. Ziet ze dat goed? Het lijkt wel of daar twee mannen zitten. In witte kleren. Maar dat zijn engelen! Ja, nu ziet ze het duidelijk. Eén aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde van de plaats waar Jezus had gelegen. Ze staart hen aan en hoort hen zeggen: “Vrouw, waarom weent gij?” Waarom ik huil? “Omdat ze mijn Here weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben.” Meteen schrikt ze. Staat er iemand achter haar? Ja, een man. Zeker de tuinman. Hij vraagt hetzelfde als de engelen: “Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij?” O, de tuinman weet het misschien. Misschien heeft hij hem ergens anders gelegd. Met een afgewend gezicht zegt ze: “Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan waar gij Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen.”
Meester
Even is het stil. Dan hoort ze haar naam noemen: Maria. Er gaat een schok door haar heen. Die stem kent ze. Ze keert zich om en kijkt hem aan. En er komt maar één woord over haar lippen: Rabboeni; dat wil zeggen: Meester! Ze wil zich aan hem vastklampen. Nooit zal ze hem meer laten gaan. Maar Jezus zegt: “Houd mij niet vast, want ik ben nog niet opgevaren naar de Vader.” Alsof Hij wil zeggen: Je hebt mij altijd gekend, Maria, als jouw weldoener. Ik heb je genezen en daarom hou je van me. Daarom was je ook zo verdrietig toen ik stierf en je zelfs mijn lichaam niet terugvond. Maar je moet gaan zien wie ik werkelijk ben. Ik ben de Zoon van God en ik zal spoedig opvaren naar Mijn vader in de hemel. Zoals ik hier voor je sta, kun je me toch niet vasthouden. Maar er zal een relatie ontstaan, die anders is. Geestelijk en daarom intiemer. Maar dat kan alleen als ik ben opgevaren naar de Vader. Ga daarom naar mijn broeders en zeg hun: “Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God. Dat heb ik voor jullie bewerkt: mijn Vader is nu ook jullie Vader en mijn God is nu ook jullie God. Onze Vader en onze God.”
Het is zondagavond. Tien discipelen hebben elkaar teruggevonden. Ze hebben heel wat af te praten. Maar ze doen dat fluisterend. Achter gesloten deuren. Je weet nooit. En dan ineens is de Here Jezus daar! Alsof Hij nooit is weggeweest! En Hij zegt: Vrede zij u!
Er valt een stilte. Ze hebben de hele dag over Hem gepraat. Dat begon vanmorgen al heel vroeg. Toen de vrouwen kwamen met het verhaal dat het graf leeg was. En later Maria van Magdala, die zei dat ze Hem had gezien en gesproken. Ze lachten haar uit. Zotteklap noemden ze het. Dood is dood. Alleen Petrus, die was vreemd stil. Dat waren ze niet gewend van hem. En Johannes zat maar voor zich uit te staren. Alsof hij iets zag, wat hij niet kwijt wilde.
En nu staat Hij daar plotseling! In levenden lijve! Hij ziet de twijfel bij sommigen en toont Zijn handen. Met de littekens van de spijkers. En zijn zijde. Met het litteken van de speer. En de twijfel verdwijnt en maakt plaats voor blijdschap. Het is dus waar. Hij leeft. Opnieuw horen ze hem zeggen: “Vrede zij u! Shalom. Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u.” Verbaasd zullen ze hebben geluisterd. Geen verwijt dat ze Hem allemaal in de steek hebben gelaten. Geen opmerking over hun falen, verloochenen, vluchten. Over hun gesloten deuren, uit vrees voor de joden. Juist nu, nu ze zich zo zwak weten, krijgen ze opdracht de zending in te gaan. Ze zullen worden gezonden, net zoals Hij werd gezonden. Zwak uit zichzelf. Dat begrepen ze nu wel. Maar de Vader zou hen zenden. En Hij zou voor alles zorgen.
Daarom blaast de Here Jezus op hen en zegt: “Ontvangt de heilige Geest.” Zoals God zijn Geest had geblazen in de eerste mens. Zo blaast de Here Jezus zijn heilige Geest in zijn discipelen. De Geest van degene die alles heeft volbracht. En alles in hen zal volbrengen. Alsof Hij zeggen wil: ‘Ga maar heen. Ik ga met je mee! Alle dagen tot aan de voleinding der wereld. Zo afhankelijk als Ik was van de Vader, zo afhankelijk zullen jullie zijn van Mij. Jullie zullen leren alles te doen in gemeenschap met Mij.
Tomas
Acht dagen zijn verstreken. Acht blijde dagen voor de tien. Acht sombere en ergerlijke dagen voor die ene. Voor Tomas. Sombere dagen omdat zijn meester is gedood. Hij had dat al een tijdje zien aankomen. Toen ze voor de laatste keer naar Jeruzalem vertrokken, had hij het al tegen de anderen gezegd: ‘Laten wij ook gaan om met hem te sterven.’ Maar toen het erop aankwam, was hij gevlucht. Net als de anderen. Daarom zat hij in de put. Hij had zich dagen niet laten zien. Geen enkele behoefte om nu iemand te ontmoeten. Hij vocht het zelf wel uit. Toen hij uiteindelijk de anderen weer ontmoette, waren die uitzinnig van vreugde. De meester was niet dood. Hij leefde! En ze dachten dat ze dat hem konden wijsmaken. Nee, hij wilde niet nog een keer zo zwaar teleurgesteld worden. Toch is hij steeds bij hen teruggekomen. Enerzijds haat hij hun gesprekken. Anderzijds trekt het hem en lijkt hij er niet buiten te kunnen. Ze praten met hem, maar zijn niet in staat hem te overtuigen. Dan ineens, staat de Meester in hun midden en zegt: “Vrede zij u!” Tomas deinst terug. Maar de Here komt naar hem toe en zegt: “Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde en wees niet ongelovig, maar gelovig.” Het is dus toch waar! Hij leeft! En Hij weet alles. Ook zijn ongeloof. Zijn weigering om te geloven. Zijn eis om het eerst te zien. Hij heeft zelfs mijn eis ingewilligd. Zover is Hij hem tegemoet gekomen. En Tomas stamelt: “Mijn Here en mijn God!” Dan zegt de Here Jezus: “Omdat gij mij gezien hebt, hebt gij geloofd. Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven.” Zalig zij, die niet hebben gezien. Zoals Johannes zelf. Hij had slechts een leeg graf gezien. Dat was genoeg om te geloven. Door zijn intieme omgang met de Here Jezus zag hij met de ogen van zijn hart dat het waar was. Hij hoefde daarbij geen teken te zien. En hij schreef het evangelie om anderen te helpen te geloven. Zo eindigt hij ook dit hoofdstuk: “Ik heb dit geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God.” Wie dat werkelijk gelooft en zich aan Hem overgeeft, heeft eeuwig leven. “Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven.”
Bijbelleessuggestie:
Johannes 20
Om over na te denken/ gespreksvraag:
Hoe ervaar ik twijfel en geloof? Wat leerde en ontdekte ik?
Groei 2008-1
U bent nu hier
artikel<
Het lege graf<

Heeft u vragen of wilt u reageren op de aangeboden informatie ?
Klik dan hier
![]()