![]() | Door lijden heen overwinningCharles Colson |
Het verhaal van de kerk in Timisoara
Timisoara ligt aan de rivier de Bega. Tientallen jaren is het leven er even kleurloos geweest als het grijze rivierwater. Timisoara, gesticht in de Middeleeuwen, maakte vroeger deel uit van het koninkrijk Hongarije. Na de Eerste Wereldoorlog werd het geannexeerd door Roemenië, samen met de rest van Transsylvanië. Sindsdien bood de universiteitsstad Timisoara een steeds somberder aanblik, totdat er in de winkels niets meer te koop was, en op de gezichten alleen nog angst te lezen was.
In het centrum van de stad ligt een lange, rechthoekige, geplaveide winkelpromenade, onderbroken door beelden, grasperken en bloembedden. Op een van de grasveldjes staat een houten kruis, omringd door kandelaren, bloemen en zwart-witfoto’s. Dat is een gedenkplaats, opgericht voor de martelaren van Timisoara, de mannen en vrouwen die hier in december 1989 om het leven kwamen.
De bruine, orthodoxe kathedraal met torentjes siert één zijde van de promenade. Aan het andere eind doemt het witte operagebouw met zijn balkons op. Aan de lange zijden van de rechthoek liggen gebouwen met appartementen op de bovenste verdiepingen, en winkels op de begane grond.
Niet ver van dit plein in het centrum ligt, op een hoek tegenover een tramhalte, een kolossaal, lelijk gebouw. Een opticien heeft een deel van de begane grond in gebruik; een ander deel wordt gebruikt door de Hongaarse Gereformeerde Kerk. Aan de grijze stenen muur hangen twee eenvoudige kransen naast kleine gedenkplaten, met daarop in vier talen: Hier begon de revolutie die een dictator velde.
Nicolae Ceaucescu
Toen de sovjets in augustus 1944 Roemenië onder de voet liepen, waren er slechts 750 communisten in het hele land. Een van hen, een kleine schoenmaker met vlezige lippen, Nicolae Ceausescu, was net vrijgekomen uit de gevangenis waar hij het grootste deel van de Tweede Wereldoorlog had doorgebracht. Zijn vooruitziende blik werd beloond: hij werd tot secretaris-generaal van de Unie van de Communistische Jeugd benoemd.
Onder jonge leiders zoals Ceausescu begon de nachtmerrie voor Roemenië. De communisten
rekenden op alle mogelijke manieren met eventuele oppositie af. Studenten en boeren, voorgangers en priesters... door de jaren heen werden miljoenen gevangengezet. Velen vonden er de dood.
Intussen beklom Ceausescu de partijladder in de hoop dat Roemenië op een dag van hem zou zijn. Aan het begin van de jaren zeventig werd deze droom werkelijkheid: hij werd president van Roemenië. De partij en het leger stonden achter hem. Ceausescu’s leiderschap werd gekenmerkt door manipulatie van westerse leiders. Om munt te slaan uit de houding die het Westen in de koude oorlog tegenover Moskou had, distantieerde hij zich van de Sovjet-Unie. Maar Ceausescu was geen gematigd communistisch leider. Regerend vanuit een kitscherig, Versailleachtig paleis in Boekarest, plunderde hij Roemenië op brute wijze en ‘hervormde’ het, zodat het evenzeer verziekt werd als hijzelf was.
Er werd van Roemeense aarde gezegd dat deze het vruchtbaarst van heel Oost-Europa was; toch kreeg de regering Ceausescu het voor elkaar het volk uit te hongeren. Terwijl de burgers in lange rijen bibberend stonden te wachten om brood te kunnen kopen, waarvan het meel met zaagsel was vermengd, verscheepte de regering het meeste voedsel uit Roemenië naar het buitenland. Vlees, boter, suiker, olie en bloem werden gerantsoeneerd, groente was schaars, en de Roemenen wisten amper hoe citrusvruchten eruitzagen.
Terwijl hun volk vocht om schrale kippen en schaarse varkensschenkels, hadden de Ceausescu’s en de partijbonzen moeite hun cholesterolconsumptie binnen de perken te houden. Bij het menu op Elena Ceausescu’s verjaardagsfeest mag zelfs Marie Antoinette zuinig genoemd worden (…) Als Ceausescu niet hoefde te kiezen welke soort kaviaar hij wenste, dan was Ceausescu bezig met zijn favoriete ‘systematiseringsprogramma’. Hierbij werden duizenden landelijke dorpjes met de grond gelijkgemaakt, en de bewoners overgebracht naar flatgebouwen in daartoe aangewezen stedelijke en industriële centra. Deze middelhoge flats zaten vol onafgewerkt beton en naar buiten stekende scharnieren. Deze mensenpakhuizen hadden minuscule kamertjes, van elkaar gescheiden door dunne muurtjes; het stonk er naar het riool en oud vuil. De temperatuur in de huizenblokken werd door een centraal systeem verwarmd. ‘s Winters was het er hoogstens tien graden Celsius. Vele gezinnen hadden slechts eenmaal per week warm water, en ook de elektriciteit was gerantsoeneerd. Gloeilampen van veertig watt waren de sterkste die in de huizen waren toegestaan; er was slechts tijdens bepaalde uren stroom, en lampen werden zelfs uit de straatlantaarns gedraaid.
In een poging de beroepsbevolking te versterken, eiste Ceausescu dat alle goede Roemeense gezinnen vijf kinderen zouden voortbrengen. “De foetus is het eigendom van de gehele samenleving,” verordonneerde hij. “Iedereen die het krijgen van kinderen voorkomt of vermijdt, is een deserteur die de wetten van de nationale continuïteit met voeten treedt.”
Tijdens zijn regime steeg het geboortecijfer, maar ook de kindersterfte. Vele ouders die hun kinderen niet konden voeden, waren gedwongen hen af te staan. Uiteindelijk waren er meer dan tweehonderd staatsweeshuizen in heel Roemenië, mistroostige gedenktekens voor Ceausescu’s meest weerloze burgers.
Maar Ceausescu’s hardvochtigste terreur was gericht tegen de christenen.
Hij begon een groot deel van de Roemeense Orthodoxe Kerk in zijn greep te krijgen. Vele priesters en bisschoppen kwamen tot de conclusie dat compromissen een redelijke prijs voor hen overleven waren, en ze sloten zich aan bij de communisten. Deze staatsambtenaren in de kerk vroegen voor alle activiteiten toestemming aan het Departement van Religieuze Zaken. (…) De vermaning van de apostel Paulus aan de Romeinen ‘onderwerpt u aan de overheid’ werd als favoriet vers door de leiders geciteerd.
Door de jaren heen werden de katholieken onderdrukt, en hun kerken sloten zich aan bij de orthodoxe meerderheid. Baptisten, adventisten, pinkstergemeenten en andere protestantse groepen vormden een uiterst kleine minderheid onder de 23 miljoen Roemenen. Toch probeerden de autoriteiten ook de leiders van de Protestantse Kerk te verleiden. Sommige voorgangers gooiden het op een akkoordje met de staat; anderen weigerden dat. Een jonge gereformeerde predikant, Laszlo Tökes, was één van de weigeraars.
Laszlo Tökes was in 1987 predikant van de Hongaarse Gereformeerde Kerk in het centrum van Timisoara geworden. Zijn voorganger, Leo Peuker, was jarenlang predikant in de gemeente geweest. Het was algemeen bekend dat hij heulde met de staat. Peuker had zelfs de rode communistische ster op zijn ambtskledij gedragen.
Toen Peuker zijn ambt uitoefende, daalde het aantal gemeenteleden tot onder de vijftig. De diensten waren niet meer dan louter een ritueel. Er was geen catechismus, geen belijdeniscatechisatie en geen bijbelstudie. De mensen kwamen alleen nog samen voor diensten op zondagochtend, of voor begrafenissen als een van hun toch al schaarse leden was gestorven. Toen kreeg Peuker in begin 1987, terwijl hij zo’n begrafenis leidde, zelf een fatale hartaanval. En Tökes werd ‘interim’- predikant van de Hongaarse Gereformeerde Kerk. Hij was al spoedig ontzettend populair, niet alleen bij de ouderen in zijn gemeente, maar ook bij studenten van de universiteit.
De communisten maakten zich niet zoveel zorgen om de ouderen, maar wel om de studenten. Religie zou niet relevant moeten zijn voor deze generatie, die meerderjarig werd in de laatste tien jaar van de eeuw van Lenin. Tökes’ meerdere liep niet met hem weg. Jarenlang had bisschop Laszlo Papp het op een akkoordje gegooid met de autoriteiten, en hij was niet blij met deze jonge predikant met zijn non-conformistische principes die voor hem bedreigend waren. Bisschop Papp bleef op zijn hoede voor Tökes. Maar zelfs onder Papps wakend oog weigerde de jonge predikant deze schijnvertoning van een naamkerk nog langer toe te laten.
Tökes rouwde om zijn stad en zijn land. Het wereldse denken van het atheïstische regime had diepe littekens achtergelaten in de harten van de mensen. Toch wist hij dat de kerk eraan kon meewerken diezelfde harten in vuur en vlam te zetten. Door zijn gereformeerde geloofsovertuiging had Tökes oog voor wat er kon gebeuren als de kerk haar identiteit onderkende, als de mensen hun geloof niet meer slechts als een zondagochtendritueel zagen, maar begrepen dat de kerk de gemeenschap van Gods volk vormde, die de wereld kon beïnvloeden.
“Nu kunnen we aan een nieuwe fase beginnen,” kondigde Tökes in zijn kleine gemeente aan. “Daartoe hebben we de hulp van alle leden van de kerkenraad en van alle gemeenteleden nodig. Het gaat er niet om dat ik de leiding heb. Ik ben niet de enige herder hier: We moeten allemaal als herders voor elkaar zijn.”
Tökes voerde in de kerk een reorganisatie door en vroeg om meer zangbundels en meer bijbels. Jonge mensen werden voorbereid op de belijdenis. De catechisatie werd weer ingevoerd. Tijdens inspirerende erediensten werden belangrijke christelijke feestdagen weer gevierd. De autoriteiten stoorden zich nogal aan zijn initiatieven, maar in feite overtrad Tökes de Roemeense grondwet niet; die garandeerde officieel de vrijheid van godsdienst. In de praktijk werd die vrijheid door de autoriteiten natuurlijk aan de lopende band met voeten getreden.
In het archief dat Peuker had nagelaten vond Tökes stoffige doopakten van gezinnen die ooit deel uitmaakten van de kerk, maar die waren weggebleven vanwege de nietszeggende rituelen onder leiding van een collaborateur. Tökes nodigde hen weer uit; nieuwe bekeerlingen werden gedoopt. De tienden stroomden weer binnen. Het heilig avondmaal kreeg weer betekenis, ze beseften dat de opgestane Christus werkelijk onder hen was. Binnen twee jaar groeide de ledenlijst van de Hongaarse Gereformeerde Kerk van Timisoara tot 5000 leden. Maar het bleef niet bij de groei in aantallen: mensen werden tot discipelen opgeleid.
Naarmate het aantal leden groeide, begon Tökes zelf het gebouw op te knappen. In de oude, donkere kerk weerklonk gehamer en gezaag afkomstig van timmerlui die aan een nieuw balkon werkten. En steeds grotere menigten kerkgangers beproefden het op zijn draagkracht. De mensen stroomden bij horden uit de trams de kerk binnen; de feeststemming klonk door in hun stemmen die prachtige geestelijke liederen zongen.
Natuurlijk kwam dit de geheime dienst, de Securitate, en het kerkelijke gezag ter ore; zij wisten dat zij de kerk niet konden toestaan op deze manier verder te gaan. Tökes’ galmende stem die Gods Woord vanaf de preekstoel verkondigde, bleef hen in hun gedachten achtervolgen als een nachtmerrie. In het Roemenië van Ceaucescu was geen plaats voor zo’n bezield christelijk geloof.
Tökes maakte de zaak nog ingewikkelder door in augustus 1989 een interview met een Hongaars televisiestation toe te staan. Tijdens het interview bekritiseerde hij Ceausescu’s ‘systematiseringsplannen’. Zo’n vijftigduizend burgers van Hongaarse afkomst zouden hierdoor worden getroffen, zei hij beschuldigend; en hij voegde eraan toe dat dit nog maar het topje van de ijsberg was in de onderdrukking van de Hongaren door de Roemeense regering.
Tökes’ uitspraken werden uitgezonden in het Hongaarse programma ‘Panorama’, en vonden verder hun weg bij Radio Free Europe, de BBC en andere westerse radiostations. Deze zonden op hun beurt het clandestiene interview weer uit naar Roemenië. Ceausescu’s regering was er niet gelukkig mee.
Eerder dat jaar had bisschop Papp Tökes ervan beschuldigd ‘zowel kerkelijke als nationale wetten te overtreden’, en hij ontzette hem officieel uit zijn ambt. Toch bleef Tökes de waarheid verkondigen, en nog steeds stelde hij de leugens van Ceausescu’s regering aan de kaak - en zijn volhardende gemeente bleef groeien. Het ergste was dat deze vrome, omhoog gevallen nieuwkomer de muren tussen de kerken afbrak, die de communisten in hun eigen belang met zoveel moeite hadden opgetrokken. In een geest van eenheid vertelde Tökes zijn ouderlingen: “Ik wil iedere kerk uitnodigen onze diensten bij te wonen. Niet alleen de priesters of geestelijken, maar de hele gemeente. We zullen samen avondmaal vieren. Ik zal preken, evenals de priester die bij ons te gast is. Er zullen liederen uit beide tradities worden gezongen, en wij zullen de gelovigen uitnodigen liederen en gedichten voor te dragen.”
Het was voor het eerst dat de Hongaarse Gereformeerde Kerk voor zo’n viering de leden van de plaatselijke katholieke parochie uitnodigde. Tökes vond dat het niet meer dan vanzelfsprekend was deze viering op 31 oktober te laten plaatsvinden, de dag waarop Maarten Luther zijn Reformatie begon. De Gereformeerde Kerk was toch uit de Katholieke Kerk voortgekomen? Mensen die van elkaar gescheiden waren door die eeuwenoude kloof zouden elkaar nu de hand reiken.
Onmiddellijk na die betuiging van eenheid begonnen de autoriteiten meer druk uit te oefenen. De geheime dienst had eerder te maken gehad met types als Tökes. Dit probleem was met intimidatie en onderdrukking op te lossen.
De methoden van Securitate waren allesbehalve subtiel. Mensen van Tökes’ gemeente werden erdoor bedreigd, en de gemeenteleden moesten elke zondag de vernederingen van de geheime politie doorstaan, alleen al om het kerkgebouw binnen te komen. Als de dienst begon, gingen agenten voor in de kerk met hun geweer staan zwaaien, of ze speelden met handboeien. Het kerkbezoek op zich werd al een stille protestactie.
Ondertussen werden Töke zijn rantsoenbonnen geweigerd. Daardoor kon hij geen brood, brandstof of vlees kopen. De gemeenteleden, die nu de werkelijke betekenis van christelijke gemeenschap hadden geleerd, deelden van hun eigen schaarse middelen, en smokkelden brandhout en voedsel naar de predikant en zijn gezin.
Het werd Tökes ook verboden vrienden of familieleden te ontmoeten. Zijn vrienden lieten kinderen of oude vrouwen boodschappen naar Tökes brengen; anderen zouden immers gefouilleerd worden door de geheime politie. Zijn telefoon werd afgesloten, behalve voor dreigende telefoontjes waarvoor de geheime politie hem volgens interlokaal tarief liet betalen. Tökes en zijn vrouw Edith waren bang dat hun zoontje van vier jaar, Mate, iets zou worden aangedaan, en brachten hem bij familie onder.
Hun angst was niet ongegrond. De Securitate nam contact op met een van Tökes’ vrienden, een architect die aan het project voor de bouw van het balkon had meegewerkt, en beval hem mee te werken aan hun hetze tegen de predikant. De architect weigerde. Enkele dagen later werd zijn lichaam in een park in Timisoara gevonden. De politie noemde zelfmoord als doodsoorzaak. Toen werd Tökes zelf aangevallen. Vier mannen met bivakmutsen op drongen binnen in zijn appartementje in het kerkgebouw. Laszlo en Edith hadden die avond toevallig mensen op bezoek, die hen hielpen de indringers met stoelen van zich af te slaan. De aanvallers vluchtten, en lieten Tökes achter met een messnee op zijn gezicht.
Kort daarna moet de geheime politie zich hebben gerealiseerd dat Tökes juist een martelaar zou worden als ze hem vermoordden. In plaats daarvan zouden ze hem onschadelijk maken, door hem naar een klein, afgelegen dorp buiten Timisoara te verbannen. Een rechtbank zette hem uit zijn huis en functie, per 15 december 1989.
Op zondag 10 december keek Laszlo Tökes naar de opgeheven gezichten van zijn gemeenteleden. Deze christenen hadden een hoge prijs betaald om in de eredienst aanwezig te zijn. Ieder van hen trotseerde de vernederingen van de geheime dienst om het kerkgebouw te kunnen betreden, hun namen stonden op de eindeloze lijsten van de Securitate, en hun aardse leven werd almaar ellendiger naarmate ze volhardden, terwijl ze geestelijk steeds rijker werden. “Geliefde broeders en zusters in Christus,” kondigde Tökes aan, “er is een uitzettingsbevel tegen mij uitgevaardigd. Ik zal het niet accepteren; daarom zal ik aanstaande vrijdag met geweld bij jullie worden weggehaald. Zij willen dit in het geheim doen, omdat zij het recht er niet toe hebben. Kom alstublieft aanstaande vrijdag, en wees getuigen van wat er gaat gebeuren. Kom in alle vrede, maar wees getuigen.”
Tökes kon de pijn op de gezichten van de getrouwe christenen zien; onder hen zaten hier en daar informanten met een starre, ondoorgrondelijke blik.
Vijf dagen later, op 15 december 1989, kwam de geheime politie Laszlo en Edith halen. Ze hadden een verhuiswagen bij zich, maar konden het huisraad niet inladen. Want een mensenmassa had rond de ingang van het kerkgebouw een beschermende buffer gevormd. Leden van de gemeente hadden aan de oproep van hun predikant gehoor gegeven, en kwamen protesteren tegen zijn uitzetting.
De Roemenen waren er wel aan gewend dat vrienden en geliefden ‘s nachts verdwenen en werden afgevoerd naar de gevangenis of naar het politiebureau. Zij waren overgeleverd aan de volstrekte willekeur van de geheime politie. Maar die dag werd er in de menigte een vlammetje van hoop ontstoken. Misschien konden zij werkelijk het vertrek van hun predikant voorkomen; misschien gaf hun aanwezigheid dit keer de doorslag.
Het gebouw van de Hongaarse gereformeerde kerk lag recht tegenover een tramhalte. Telkens als de volgepakte trams leegstroomden, konden de passagiers de menigte zien staan voor het kerkgebouw.
“Wat is hier aan de hand?” vroegen zij. Toen ze hoorden wat er gebeurde, sloten zij zich aan. Sommigen kwamen uit andere kerken; anderen waren gewoon nieuwsgierige omstanders of sympathisanten.
Intussen begon Lajos Varga, een vriend van Tökes, telefoontjes te plegen om gelovigen uit heel Timisoara te mobiliseren: baptisten, adventisten, pinksterchristenen, orthodoxen en katholieken. En later die dag, toen Tökes het raam van zijn appartement openzette om met de mensen te praten, kwam hij op wat hij noemde ‘het keerpunt’ in zijn leven.
“Dit waren niet alleen mijn eigen gemeenteleden, met wat baptisten en adventisten, maar ook orthodoxe priesters en enkelen van hun Roemeense parochianen. Ik was erg ontroerd,” zei hij, “en het ontzenuwde wat ik nu beschouw als één van mijn oude vooroordelen: dat wij geen gemeenschappelijke zaak met elkaar kunnen maken, niet schouder aan schouder kunnen strijden. Nu ik Roemenen, Duitsers, katholieken en orthodoxen voor mij heb zien opkomen, weet ik dat ik moet werken aan de verzoening tussen nationaliteiten en kerkgenootschappen in dit land.” Hij riep uit in het Hongaars en vervolgens in het Roemeens: “Wij zijn één in Christus. Wij spreken verschillende talen, maar we hebben dezelfde bijbel en dezelfde God. Wij zijn één.”
Beneden hem keken de mensen elkaar aan, getroffen door de waarheid die in zijn uitspraak zat. Zelfs al leden ze honger en kou, toch bleven ze schouder aan schouder in een halve cirkel rond de ingang van de kerk staan.
Het werd donker, en Peter Mot, de communistische burgemeester van Timisoara, bracht een bezoek aan Tökes. De burgemeester zei dat Tökes kon aanblijven in de kerk, op voorwaarde dat de samengestroomde menigte zou weggaan.
Toen Tökes de mensen het nieuws toeschreeuwde, schreeuwde iemand terug: “Wij vertrouwen ze niet, dominee.”
Vervolgens verscheen de burgemeester voor het raam. “Roemenen, ga naar huis,” zei hij, zinspelend op de etnische verdeeldheid. “Laat de Hongaren maar rebelleren door hier te blijven rondhangen.” Maar zijn verdeel- en heersstrategie werkte niet.
Adina Jinaru, een Roemeense orthodoxe gelovige die in de buurt woonde, keek om zich heen naar de veelkleurige mensenmenigte die was samengestroomd om de Hongaarse predikant te steunen. Onder de menigte hadden zich ook agenten van de Securitate gemengd; hun blik verried hen. Een stevige, vriendelijke baptistenvoorganger, Peter Dugulescu, bevond zich ook onder de menigte, evenals Daniël Gavra, een student uit Dugulescu’s gemeente. Gavra baande zich door de massa een weg naar Dugulescu. “Kijk, dominee,” zei bij, terwijl hij stiekem, met het oog op de agenten van Securitate, zijn jas opendeed. Gezien de manier waarop de situatie uit de hand liep, had Dugulescu half en half een soort wapen verwacht. Maar de bobbel onder Gavra’s jas waren tientallen in papier gewikkelde kaarsstompen.
Het was al over enen die ochtend toen Tökes het raam van zijn appartementvoor het laatst opendeed voordat hij naar bed zou gaan. Hij kon zijn ogen niet geloven. De mensen hadden op borsthoogte hun handen beschermend om dansende vlammetjes gevouwen, die hun gezichten in een warme gloed deden oplichten.
“Ik weet niet waar ik morgen of overmorgen zal zijn,” dacht Tökes. “Het enige waar ik zeker van ben, is het hier en nu. En ik weet dat de Geest van God zelf met ons is.”
De opmerkelijke demonstratie ging die hele nacht door, en zelfs de volgende dag. Laat in de middag gingen de mensen een stap verder dan het betuigen van solidariteit aan Laszlo Tökes. Voor het eerst in hun leven schreeuwden Roemenen uit wat ze daarvoor alleen maar durfden dromen: ‘vrijheid’. Studenten begonnen een volkslied te zingen dat de communisten jaren daarvoor hadden verboden: “Ontwaak, Roemenië.” En veel later, toen het op 16 december donker werd, begon iemand te schreeuwen: “Weg met Ceausescu. Weg met het communisme.” Een deel van de menigte ging in de richting van het centrum, naar het plein, terwijl de rest de wacht hield bij Tökes’ kerk.
Nog voor het ochtendgloren, op 17 december, kwam de geheime politie ten slotte in actie en brak door de muur van mensen heen. Laszlo en Edith namen toen hun toevlucht tot het kerkgebouw, en zochten dekking bij de avondmaalstafel. Tökes wikkelde zich in zijn zware priesterkleed, en hield een bijbel als een wapen in de hand.
De vergrendelde kerkdeur werd met grof geweld geforceerd, en de politie deed een inval in het gebouw. Zij sloegen Tökes op zijn gezicht tot bloedens toe. Hij en Edith werden afgevoerd in de nacht.
Toen hun predikant weg was, verplaatste de menigte zich van de Hongaarse gereformeerde kerk naar het plein van Timisoara. Intussen wemelde het in de straten van de gewapende troepen, schilden, honden en tanks. Maar zelfs nu het leger paraat was, trokken de mensen zich niet terug. Want dit was een totaalprotest geworden tegen de staatsbemoeienis. Dit kon niet meer ongedaan gemaakt worden. De bewoners van Timisoara stroomden schreeuwend en zingend het plein op. Daniël Gavra en vele anderen deelden kandelaren uit. En toen het donker werd, lieten de mensen hun kaarsen branden in de nacht.
De communisten beantwoordden dat met het brute geweld dat ze altijd hadden gebruikt als zij bedreigd werden door vrijheidsstrijders. Zij gaven hun troepen bevel het vuur te openen op de demonstranten. Honderden werden getroffen door de kogels. Een van hen was Gavra. Hij en een aantal andere gelovigen marcheerden het plein op, en droegen de nieuwe vlag van de revolutie met zich mee: de drie kleuren van Roemenië waaruit in het midden het communistische embleem was weggeknipt. Terwijl zij voortmarcheerden, nam Gavra een jong meisje uit de pinkstergemeente bij de arm.
De soldaten openden het vuur, en het meisje gleed uit zijn arm weg. Tegen de tijd dat zij tegen het trottoir sloeg, was zij overleden. Daniël had amper tijd om te begrijpen wat er was gebeurd toen er een andere explosie volgde en hij viel, terwijl zijn been werd doorzeefd met kogels. In de chaotische menigte en in het donker eisten de lukraak afgeschoten kogels het ene na het andere slachtoffer, maar de bevolking van Timisoara gaf geen duimbreed toe. Hoewel ze geschokt waren door de prijs die ze voor hun standvastigheid betaalden, wisten ze dat er geen gematigde houding mogelijk was. Ze besloten voor de waarheid en tegen de leugen op te komen: zij zouden volhouden.
In 1989, tegen Kerstmis, was de wereld in rep en roer over de uitwerking van die onverzettelijkheid: Roemenië was vrij en Ceausescu was verdwenen. De mensen in Timisoara waren uitgelaten. De kerken stroomden vol met gelovigen die God prezen.
Enkele dagen na Kerstmis opende dominee Peter Dugulescu de deur van de ziekenhuisafdeling waar Daniël Gavra was opgenomen nadat hij was neergeschoten. De jongen was nog herstellende: zijn wonden waren verbonden en wat ooit zijn linkerbeen was geweest, was nu een stomp. Maar geestelijk was Daniël niet geruïneerd.
“Dominee,” zei hij, “ik treur niet over het verlies van mijn been. Tenslotte was ik het die de eerste kaars aanstak.”
Om over na te denken / gespreksvraag:
Wat heeft u het meest geraakt in het lezen van dit artikel en waarin is het een aansporing?
Groei 2005-1
Auteur : Charles Colson
De informatie op deze pagina is afkomstig uit het tijdschrift "Groei".
U kunt deze informatie online vinden op http://www.groei.org
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:
Stichting Proclama
Postbus 271
3940 AG Doorn
Telefoon 0343 - 449 419
Fax 0343 - 449 418
Email : redactie@groei.org
Bezoekadres: "Het Berghuys"
Bergweg 1
3941 RA Doorn
(alleen na afspraak)