Hoe de trouwe God met wantrouwige mensen omgaat

Ds. Dick van Keulen

‘God is goed’, klinkt het in een lied. Maar het is schrijnend hoe in het gedachte- en gevoelsleven van veel mensen, onder wie ook vele 'gelovigen', een soort virus van wantrouwen jegens God verborgen zit.

De Bijbel beschrijft in Genesis 3 de geschiedenis van de ‘zondeval’ waar als de verspreider van dit virus de duivel wordt aangewezen. Hoe dit virus zo verwoestend op onze verhouding tot onze Schepper-Vader heeft kunnen inwerken is onverklaarbaar. Onze hemelse Vader heeft Zijn mensenkinderen zo geweldig positief in het leven gezet. Hij heeft hen voorzien van een menselijke geest, waardoor zij voortdurend met hun hemelse Vader konden communiceren. Wanneer de duivel via een slang twee reusachtige leugens over hun Schepper debiteert, dan houden zij geen ruggespraak met hun hemelse Vader, maar dan hechten zij geloof aan die twee vreselijke leugens, namelijk: God berooft je van je bezittingen     (Genesis 3:1) en van je persoonlijke vrijheid, je identiteit (Genesis 3: 4, 5). Door het gezaaide wantrouwen worden Eva en Adam vervuld van angst voor God en vluchten voor Hem weg. Hoe hun Schepper op hun breuk met Hem reageerde? Door ze ogenblikkelijk achterna te gaan en ze terug te roepen: “De HERE God riep de mens tot Zich en zei tot hem: waar ben je?” Ik hoor God denken: “Ik heb het contact met mijn lieve kinderen verloren; dat is toch zonde!”
Jazeker: wantrouwen is de oerzonde, waar alle andere zonden uit voortkomen. Wantrouwen maakt je namelijk onbereikbaar voor God. En God vindt niets vreselijker dan een mens die Hij, ook al is die mens van binnen nog zo vuil, niet kan, immers niet mag, benaderen. Maar God laat het er nooit bij zitten wanneer het Hem gaat om het terugwinnen van het vertrouwen. Hij komt ons achterna.
De menswording van Gods eeuwige Zoon is het heerlijkste bewijs van deze onopgevende liefde voor Zijn schoonste schepsel, de mens. Het was en is dat schepsel dat als geen ander deel van de schepping Zijn Schepper zozeer heeft teleurgesteld. De eeuwige Zoon van God landt onder de naam Jezus op Gods eigen planeet als een vreemdeling in bezet gebied...

Virus werkt door
Het is nog altijd een voorsprong voor de duivel dat wij mensen zijn voorstelling van zaken zo gemakkelijk volgen. Zijn aanbiedingen schijnen logisch en aanlokkelijk. Van hem mogen wij namelijk in volkomen vrijheid over ons eigen leven beschikken en daarin autonoom alle wenselijke en noodzakelijke beslissingen nemen. En nog altijd vinden de valse insinuaties van de duivel grote aftrek onder de mensen. Immers, denken wij, wat blijft er van mij over, wanneer ik mij geheel en al aan die grote God over zou geven? Terwijl de werkelijkheid precies andersom uitpakt. In verbondenheid met God vinden wij een enorme verrijking van ons leven op alle gebied. Een mens mét God is ongelofelijk meer dan een mens zonder Hem. Terwijl de gevreesde gevangenschap juist ligt bij de mens zonder God. Díé mens zit namelijk in de zelfgekozen cel van zogenaamde vrijheid, een vrijheid die afgesloten is door de wanden van misleiding en eigen onvermogen.

God blijft roepen
Jazeker, dat is de diepe kwetsbaarheid van onze God-Vader: Hij kan alleen maar roepen. Hij kan niet dwingen, daarvoor heeft Hij de bewapening niet. Hij roept Noach, Hij roept Abram, Hij roept de bedrieger Jacob, waarom die? En in alles wordt God-Vader gedreven door die passie voor zijn gekozen volkje Israël. En altijd opnieuw gaan zijn lievelingen op Vaders hart staan. Denk aan de bijna-moord op Jozef, aan het gouden kalf, aan de treurige mislukking van de eerste verovering van Kanaän. Veertig jaar goddelijk geduld maakten van de lichtgeraakte Mozes de zachtmoedige leider van dat rumoerige volkje. Veertig jaar van goddelijk geduld en beproevingen in de woestijn maken het volk gereed en bereid eindelijk Kanaän binnen te trekken. Vierhonderd jaar moet God-Vader aanzien hoe dat volk in de Richterentijd eindeloos heen en weer zwalkt tussen de dienst aan God en de afgoden. Na de verademing rond de koningen David en Salomo scheuren land en volk in tweeën. Hoe vele van Israëls latere koningen hebben de beide delen van het rijk aan de vijanden prijsgegeven tot de ballingschap toe.
Lees Jesaja en Jeremia om er achter te komen hoe God na de vreselijkste verwensingen van Zijn kant in één adem Zijn volk weer met genadeaanbiedingen omhelst. En dan staat Israël nog maar model voor de gehéle mensheid, waar God pas later naar om kan kijken.
 
Jezus maakt het verschil
Gods laatste troef is de zending van Zijn eeuwige Zoon in de gestalte van een totaal ongewapend Mens naar en binnen het kamp van de vijand. Nota bene door onze moordenaarshanden heen bereikt Jezus het vooraf vastgestelde doel van Zijn zending: het rijk van de dood... “Kijk naar die Man aan dat vloekhout”, zegt Paulus (1Corinthiërs 2: 2; Galaten 3: 1). En iedereen die kijkt naar die stervende gekruisigde, die kan zien hoe Jezus op het ogenblik dat Zijn ogen breken bij hem of haar naar binnen sterft. Jezus sterft onze cel binnen om op de derde dag vanuit die cel in Zijn opstanding de muren van onze cel stuk te breken en ons naar de vrijheid te leiden. Naar de vrijheid van de kinderen Gods.
Is dat niet wonderbaarlijk? God die via onze moordenaarshanden satans doodsrijk binnensterft en daar aan die moordenaars zijn onaflatende geduld en trouw en liefde komt proclameren? Mijn ogen althans vullen zich vaak met tranen wanneer ik met gelovige ogen naar dat onomkeerbare tafereel kijk. Zó, zoals de stervende Zoon, zó is mijn hemelse Vader: trouw aan Zijn liefde voor Zijn vijanden tot in de dood.

Gods eeuwige geduld en trouw
Een voorbeeld hiervan is Simon Petrus. Zijn leven lang zal hij zich zijn gierende huilbui blijven herinneren na de verloochening van zijn Meester. Het was zo mooi begonnen. Lucas 5 beschrijft de inlijving van Simon, stap voor stap. “Simon, mag ik jouw boot gebruiken als preekstoel? ... Simon, toon eens je visserscapaciteiten.” En dan die opmerkelijke vangst. En Simon, op zijn knieën: “Here, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.” En Jezus: “Zo kan Ik pas goed bij je binnenkomen en je gebruiken, Simon, namelijk als visser van mensen.”
En dan die geweldige, door de hemel ingegeven belijdenis omtrent Jezus: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God” (Mattheüs 16:16). “Simon, zoon van Jona, dat heb je niet uit jezelf, maar van mijn Vader in de hemel.” En even later, wanneer Simon, die Petrus werd, Jezus op diens tocht naar het einddoel, namelijk het kruis, wil tegenhouden: “Simon, dat heb je uit de hel vandaan.”
Tussen hel en hemel zwenkt Simon Petrus heen en weer. Tussen zijn weerbarstige ‘ik’ en zijn ontwakende liefde voor Jezus. Tussen de hel van de verloochening en de hemel van het eerherstel na Jezus’ opstanding aan de oever van het meer (Johannes 21:15-19). Bestaat er een mooier voorbeeld van Gods eindeloze geduld? Hoor, hoe Jezus Zijn ongedurige discipel diens drievoudige verloochening te binnen brengt en ermee afrekent in een driemaal gestelde vraag naar Simons liefde. En Simon snikt zijn liefde uit. En wordt weer Petrus. En Petrus mag de schapen gaan weiden. Wie heeft er vervolgens aan Jezus’ kant en om Jezus’ wil zoveel geleden onder menselijke ontrouw als Petrus? Tot zijn executie toe?

Een ander voorbeeld is Paulus. Ja, ook die heeft ontzaglijk veel geleden om Jezus’ wil. Paulus, ook een mens die leefde van Jezus’ trouw en geduld. Tot zijn dood zou hij zich herinneren hoe hij Jezus in diens volgelingen tot de dood vervolgde (1Timotheüs 1:12-16). “Maar hiertoe is mij ontferming bewezen, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij zijn ganse lankmoedigheid (geduld) zou bewijzen tot een voorbeeld voor hen, die later op Hem zouden vertrouwen ten eeuwigen leven” (vers 16). Paulus, een levend voorbeeld van Jezus’ voortgaande stervensnood in Paulus’ hart om der wille van Jezus’ gemeente (Colossenzen 1:24).

“Wil je weten van Jezus’ eindeloze geduld en trouw en genade en liefde voor een man als ik die zijn vijand was? Mijn gehele leven is er een voorbeeld van”, hoor ik hem tegen mij zeggen. En ik spel zijn prediking: Jezus geeft het nooit op. “Hiervan ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in ons een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus” (Filippenzen 1: 6). “Ik ben voor het evangelie aangesteld als verkondiger, apostel en leraar. Om die reden draag ik ook dit lijden en ik schaam mij daarvoor niet, want ik weet, op wien ik mijn vertrouwen heb gevestigd, en ik ben ervan overtuigd, dat Hij bij machte is, hetgeen Hij mij toevertrouwd heeft, te bewaren tot die dag” (2Timotheüs 1:12).

De blijde boodschap
Gezien vanuit Gods eeuwige trouw aan Zijn verbond met mensen wordt het evangelie toch zo wonderlijk eenvoudig en doorzichtig. God, onze Schepper-Vader, vraagt niets meer en niets anders van ons dan Hem om Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn trouw te erkennen als de eeuwig betrouwbare, die ons geloofsvertrouwen als reactie daarop ten volle verdient. De rest doet Hij. Hij geeft en Hij geeft. Hij wandelt door ons geloofspoortje, dat niet eens verder open hoeft te staan dan een kiertje zo smal als een mosterdzaadje, ons leven binnen, nestelt zich in ons hart in de persoon van Zijn Zoon en van Zijn Geest en brengt ons in een hemelse vorm van samenleven met alle andere gelovigen met wie wij samen de eeuwige lofzang op Jezus’ liefde zullen mogen uitjubelen. Zo beschrijft Paulus het in Efeziërs 3:14 en volgende:
“Ik buig mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar de rijkdom van zijn heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof (dat is jouw poortje) in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan, samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.” 

De eenvoud van het evangelie: God, onze Schepper-Vader, heeft alles aangewend om jou en alle andere mensen naar Zijn hart te trekken. Het enige dat Hij van jou en mij vraagt is dat wij Hem opnieuw ons vertrouwen schenken en Hem binnenlaten in ons leven om daar onze ziel geheel en al te transformeren tot een leven als dat van Jezus, Zijn Zoon.

Bijbelleessuggestie:
Johannes 21:15-19

Om over na te denken/gespreksvragen:
1. Waarom zoek je naar redenen binnen jezelf, waardoor Jezus zich om jou zou bekommeren?
2. Jouw geloof is in zichzelf niets waard; Hij in wie je gelooft is alles waard. Hoe denk je hierover?
3. Geloven gaat vanzelf zodra je de Betrouwbaarheid Zelve voor je ziet. Mee eens? 

Groei 2004-1


 


Auteur : Ds. Dick van Keulen

Ds. Dick van Keulen (1924) is gereformeerd emeritus - predikant en woont in Houten. Hij preekt nog regelmatig en werkt mee aan themadagen en conferenties. Hij schreef ‘Groeien in geloof’, uitgebracht door St. The Media Alliance - Amerongen. Een boek dat ook bijzonder geschikt is voor gebruik in gespreksgroepen.


De informatie op deze pagina is afkomstig uit het tijdschrift "Groei".
U kunt deze informatie online vinden op http://www.groei.org
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:
Stichting Proclama
Postbus 271
3940 AG Doorn
Telefoon 0343 - 449 419
Fax 0343 - 449 418
Email : redactie@groei.org

Bezoekadres: "Het Berghuys"
Bergweg 1
3941 RA Doorn
(alleen na afspraak)