Verstand en verlangen bij C.S. Lewis

Mr. drs. Timon Ramaker

De rationele romanticus

Denken en voelen, mannelijk en vrouwelijk, zakelijk en creatief. Vaak denken wij in paren en zien die als tegenovergesteld. Soms worden ze tegenover elkaar uitgespeeld en wordt de een hoger, beter of mooier dan de ander. In onze tijd lijkt het voelen, het vrouwelijke en het creatieve populairder dan het denken, mannelijke en zakelijke. Of zitten we aan het begin van de eenentwintigste eeuw weer in een kentering? Hoe dan ook: ik geloof niet dat het zo werkt. Vaak kunnen denken en voelen, mannelijk en vrouwelijk, zakelijk en creatief samengaan. Juist dan wordt het spannend. De bekende apologeet en schrijver C.S. Lewis is een voorbeeld van iemand bij wie je dat goed ziet.

Veel christenen zijn bekend met het werk van C.S. Lewis (1898-1963). Maar het beeld dat zij van hem hebben kan nogal verschillen. De een vindt hem een rationele denker, de ander kent hem als  schrijver van beroemde kinderboeken. Lewis kende zowel een rijke verbeelding als strenge logica. Het is boeiend om te zien hoe hij in zijn leven met verstand en verlangen omging en hoe hij ze niet tegen elkaar uitspeelde, maar beide dienstbaar liet zijn aan God. Dat heeft tot veel moois geleid. Er is veel te leren uit zijn leven en werk.

Lewis werd geboren in het staartje van de 19e eeuw in het religieus fanatieke Belfast. Zijn moeder overlijdt als hij nog jong is. In zijn schooljaren wordt hij een overtuigd atheïst. Na de Eerste Wereldoorlog waarin hij als soldaat gewond raakt, pakt hij zijn studie in Oxford weer op: klassieke talen, filosofie en Engelse letteren. Hij zal na zijn studie lange tijd als mentor aan het Magdalen College in Oxford verbonden blijven. In die tijd komt hij langzamerhand tot erkenning dat Christus de Zoon van God is. Lewis was geen christen ondanks zijn helder denkvermogen, maar voor een groot deel dankzij dat denken. Hij zei dat de logica hem, tegen zijn zin, in de richting van Christus drong.

Dat klinkt heel rationeel, maar het was zeker geen droge studie. In zijn autobiografie Surprised by Joy vertelt hij over zijn bekering en wijst hij daarin op de grote rol die verlangen gespeeld heeft. Hij noemt het zelf 'joy' (vreugde). Als kind had hij al de ervaring dat iets hem trof vanuit een andere wereld. Hij beschrijft het als vreugdepijlen die op hem afgevuurd werden. Deze ervaring leidde ertoe dat hij ging geloven dat er een God moest bestaan. Hij was hiermee nog geen christen, maar het was een belangrijke stap.

Even een zijstapje. Het is belangrijk te beseffen dat mensen in stapjes God kunnen leren ontdekken. Soms gebeurt het pats-boem, maar vaak ook niet. Voor mensen in onze tijd is het helemaal niet zo gemakkelijk om Jezus als verlosser te erkennen. Want hoezo Zoon van God, als je niet eens in het bestaan van een God gelooft? En hoezo Verlosser als je je helemaal niet zo gevangen voelt? In ons contact met niet-christenen moet je aanknopen bij waar iemand is. Gelooft iemand dat wat je ziet alles is wat er is? Of dat er wel iets meer is tussen aarde en hemel? Of dat God bestaat, of zelfs een persoon is? Dat zijn allemaal stapjes. En nogmaals: het is niet per se nodig dat iemand al die stappen zo zet, maar het is wel goed om te beseffen dat de ene mens de andere niet is. Lewis zette wel al die stapjes in zijn denken. In filosofische termen, maar de eerste stappen werden gezet doordat hij die ervaring van 'joy' had.

Door zijn denkvermogen en zijn ontdekkingstocht heeft hij in de eerste twintig jaar na zijn bekering vele boeken geschreven waarin hij het christelijke geloof op een redelijke manier uitlegt en verdedigt. Veel christenen zullen hem dan ook als apologeet kennen. In deze tijd schreef hij onder meer Mere Christianity, The Problem of Pain en Miracles.
Naast Lewis de Denker is er Lewis de Verteller: de Narnia-verhalen, zeven kinderboeken over het land Narnia van de leeuw Aslan. Verder schreef hij drie sciencefictionverhalen en het prachtige Till We have Faces. 
Het is niet zo dat je Lewis de Denker en Lewis de Verteller tegenover elkaar kunt stellen. Hij is beiden tegelijk geweest. Hij heeft altijd vanuit een rijk innerlijk geschreven. Zijn eerste apologetisch werk (The Pilgrim's Regress uit 1933) had al de vorm van een verhaal en zijn latere verhalen zag hij als evenzeer apologetisch als bijvoorbeeld het filosofische Miracles. Hij zag de verhalen als een soort voorbereidende evangelisatie. Als je niet openstaat voor God, zul je niet overtuigd worden. Wat hij nu in zijn verhalen probeerde was mensen open te stellen voor de mogelijkheid dat God bestaat. Ik denk dat hij daar heel goed in geslaagd is. Hoeveel mensen hebben na het lezen van de Narnia-verhalen niet het gevoel dat de wereld opeens veel rijker en dieper is geworden? Ik wel tenminste. Elke keer als ik ze weer lees. Zijn verhalen zijn een beetje als de gelijkenissen van Jezus. Ook Hij wist dat waar mensen niet openstaan het veel effectiever is om verhalen te vertellen dan om rechttoe rechtaan te preken.

Wel heeft Lewis in zijn leven gezocht naar de juiste verhouding tussen beide kanten in zijn leven. Want als je zowel een sterk verstand als sterke gevoelens hebt, kunnen ze snel gaan strijden. Het is ook zo dat hij klemtonen anders ging leggen. In zijn eerste periode was hij wat zelfverzekerder en in de laatste jaren schreef hij vaak met een knipoog: ik ben ook maar een mens. Hij schrijft bijvoorbeeld in een voorwoord voor Essays presented to Charles Williams hoe hij zich op zijn plaats gezet voelde toen Williams (een voorbeeld voor Lewis)  de 'troosters' van Job vergeleek met mensen die boeken over 'the problem of pain' (de titel van een boek van Lewis) schrijven. Wie zijn wij dat wij het mysterie van het lijden kunnen begrijpen?! De rede moet zijn grenzen kennen. Lewis is dit steeds meer gaan beseffen, zonder daarmee het redelijke van het geloof af te doen. Wat uiteindelijk waar is, kunnen we niet in rationele termen pakken. Taal en denken hebben grenzen. Maar de werkelijkheid raakt ons wel. Ook al kunnen wij het niet bevatten. Dat ervoer Lewis in zijn 'vreugdepijlen'. Hij probeert in zijn verhalen ons weer te openen voor de échte werkelijkheid. Persoonlijk vind ik dat in zijn Narnia-verhalen in de leeuw Aslan iets over Gods karakter geraakt wordt dat nauwelijks in een betoog te vatten is.

Leest u daarvoor het hier nu volgende citaat maar eens:

Wie bent u?
 
"Het (of het moest Iemand zijn) bleef zo stil en rustig naast hem lopen dat Shasta ging hopen dat hij het zich maar had verbeeld. Maar juist toen hij daarvan overtuigd begon te raken, kwam er uit het donker naast hem een diepe, volle zucht. Dat kon geen verbeelding zijn! En trouwens, hij had de warme adem van die zucht gevoeld op zijn verkleumde linkerhand.
Ten slotte hield hij het niet langer uit.
'Wie bent u?', zei hij zacht, bijna fluisterend.
'Iemand die al lang wacht tot jij iets zou zeggen', zei Het.
De stem klonk niet hard, maar heel groot en diep.
'Bent u - bent u een reus?', vroeg Shasta.
'Je zou me een reus kunnen noemen', zei de Grote Stem. 'Maar ik lijk niet op de wezens die jij reuzen noemt'. 
'Ik kan u helemaal niet zien', zei Shasta nadat hij geprobeerd had met zijn ogen het duister te doorboren. Toen (want nu schoot hem nog iets veel griezeligers te binnen) zei hij, bijna schreeuwend: 'U bent toch niet - toch niet een dood iemand, hè? O alstublieft, gaat u alstublieft weg. Ik heb u toch nooit kwaad gedaan? O, ik ben de ergste pechvogel op de hele wereld'!
Opnieuw voelde hij de warme adem van het Onzichtbare op zijn hand en zijn gezicht. 'Voel je wel?', zei Het, 'dat is niet de adem van een geest. Vertel mij je zorgen maar'.
Door die adem was Shasta een beetje gerustgesteld, dus vertelde hij hoe hij zijn echte vader en moeder nooit had gekend en hoe hij heel streng was grootgebracht door de visser. En daarna vertelde hij het verhaal van zijn ontsnapping en hoe ze achterna gezeten waren door leeuwen en gedwongen waren te zwemmen voor hun leven; en over alle gevaren in Tashbaan en over zijn nacht tussen de Graftomben en hoe de wilde beesten tegen hem hadden gejankt vanuit de woestijn. En hij vertelde over de hitte en dorst op hun reis door de woestijn en hoe ze bijna hun doel hadden bereikt toen er weer een leeuw achter hen aan had gezeten, die Aravis verwond had. En ook hoe ontzettend lang geleden hij voor het laatst iets te eten had gehad.
'Ik vind jou geen pechvogel', zei de Stem.
'Vindt u het dan geen pech dat we zoveel leeuwen tegenkwamen?', zei Shasta.
'Er was maar één leeuw', zei de Stem.
'Hoe weet u dat?' 
'Die leeuw was ik'. En terwijl Shasta zijn mond liet openvallen en niets zei, ging de Stem verder: 'Ik was de leeuw die je gedwongen heeft samen met Aravis te reizen. Ik was de kat die je gezelschap hield daar tussen de huizen van de doden. Ik ben de leeuw die de jakhalzen voor je heeft weggejaagd terwijl jij sliep. En ik ben de leeuw die jij je niet meer kunt herinneren, de leeuw die het bootje duwde waarin jij lag - een kindje dat bijna stierf - zodat het aan land kwam op de plek waar midden in de nacht een slapeloze man zat om jou te ontvangen'. 
'Wie bent u dan?', vroeg Shasta.
' Mezelf', zei de Stem, heel diep en laag, zodat de aarde ervan beefde."

In de rest van dit artikel wil ik wat zeggen over hoe Lewis dacht over denken en ervaren. Voor hem gingen ze samen, maar hoe dan? Voor ons staan ze zo vaak op gespannen voet. Kende hij die ervaring dan niet? Natuurlijk wel. En gelukkig heeft hij ook daarover geschreven.

1. Verlangen
God heeft ieder mens gemaakt met een diep verlangen. De ervaring van 'joy' is een intens verlangen. Lewis schrijft daarover in Mere Christianity: "De meeste mensen zouden, als zij echt geleerd hadden om in hun eigen hart te kijken, weten dat zij iets willen hebben en wel nu meteen, iets wat we in deze wereld niet kunnen hebben. Er zijn allerlei soorten dingen in deze wereld die zeggen dat ze het te bieden hebben, maar zij houden nooit echt hun belofte. Het verlangen dat in ons opkomt als we voor de eerste keer verliefd worden, of voor het eerst aan een onbekend land denken, of voor het eerst ons verdiepen in een onderwerp dat ons opwint, zijn verlangens die geen huwelijk, reis of studie echt kunnen bevredigen." Dit is het verlangen dat Lewis naar God leidde. Hij drukt zijn lezers op het hart om hun verlangen serieus te nemen. Het is geen projectie of dromerij. Natuurlijk is er ook fantasie, maar als we al onze verlangens afdoen als fantasie zijn we dwaas bezig.

2. Gevoel
Lewis wijst erop dat het verlangen zelf heerlijk is. Vaak willen we er wel in zwelgen. Maar dan vergeten we volgens Lewis wat. Het gaat immers niet om het verlangen zelf, maar om het object van ons verlangen: daar waar het verlangen op gericht is. Dat is een belangrijk punt in onze psychologische tijd. Wij zijn vaak nogal geneigd om de ervaring belangrijk te vinden, maar het gaat uiteindelijk om de werkelijkheid waar de ervaring naar verwijst. We moeten leren om voorbij onze ervaringen te kijken. Lewis is zich er sterk van bewust dat wij snel gericht raken op onze ervaringen en gevoelens in plaats van op de werkelijkheid waar de ervaring naar verwijst. Hij noemt dit 'de ziekte van introspectie', omdat je dan eigenlijk alleen maar naar jezelf kijkt. Zijn werk laat zich lezen als één grote oproep om naar buiten te kijken, om open te staan voor de werkelijkheid van God. Zijn werkelijkheid geneest ons van introspectie en geeft leven.
Het gevoel is dus wel belangrijk, maar het verwijst ergens naar. We nemen snel met te weinig  genoegen, schrijft hij. We blijven bij ons gevoel staan, terwijl het om het object van ons gevoel gaat.

3. Werkelijkheid
Hierboven zei ik dat sommige mensen geneigd zijn hun gevoelens belangrijker te vinden dan de werkelijkheid. Andere mensen kunnen hun gedachten belangrijker gaan vinden dan de werkelijkheid zelf. Lewis was op beide gevaren zeer bedacht. "Ons denken is belangrijk. Het is het natuurlijke orgaan voor waarheid" schrijft hij, "maar je kunt erin verstrikt raken." "Waarheid gaat altijd ergens over, maar werkelijkheid is dat waarover waarheid gaat", schrijft Lewis in het artikel 'Myth became fact'. Met ons denken formuleren wij theorieën over wat waar is. Maar dat kun je niet helemaal vereenzelvigen met de werkelijkheid. Wij moeten ons niet zozeer richten op onze kijk op waarheid, maar op de werkelijkheid zelf.

4. Geheim
Het object van het verlangen blijft zelf een geheim. Wij kunnen niet uit onszelf de werkelijkheid waar ons verlangen naar wijst veroveren en bezitten. De werkelijkheid overstijgt ons denken en voelen. Dit besef komt heel sterk in Lewis' verhalen naar voren. Met geheim bedoel ik niet dat Lewis ' eheimzinnig' doet over God, maar wel dat hij bescheiden is en God de Heilige laat zijn. God is geen tamme God bij Lewis. Maar niet alleen God, de hele werkelijkheid is een geheim.
Ons denken is onvolkomen. We hoeven ons denken en voelen niet té serieus te nemen. Dat betekent niet dat we er dan maar mee moeten ophouden, maar het mag leiden tot lofprijzing en overgave aan God.

5. Verbeelding
Daarom hebben we volgens Lewis onze verbeelding nodig. Daarmee bedoelt hij natuurlijk niet dat we zomaar wat kunnen fantaseren, maar wel dat God ons vermogens heeft gegeven om open te staan voor Zijn werkelijkheid - ook al begrijpen we het niet. "Het verstand is het natuurlijke orgaan voor de waarheid, maar de verbeelding is het orgaan voor betekenis." Volgens Lewis hebben mensen zowel verstand als verbeelding nodig. Beide zijn door God gegeven mogelijkheden om te kennen en we mogen ze niet tegen elkaar uitspelen. In zijn eerste schrijfperiode werkte hij vooral met het verstandelijke en in zijn tweede met de verbeelding, maar zoals we hierboven zagen, gaf hij zowel verstand als verbeelding een plek in beide periodes.

6. Discipline
Geloven gaat niet vanzelf. Lewis merkte dat net zo goed als wij dat doen. Hij vertrouwde zijn denken en voelen dan ook niet volledig, maar wilde - soms ook tegen zijn gevoel in - Christus gehoorzamen. Onze verbeelding, onze kijk moet gevormd worden. En de eerste stap daartoe is gehoorzaamheid. Aan zijn vriend Malcolm schreef hij dat we het avondmaal niet kunnen verklaren, maar dat we bevolen zijn: ' Neem, eet': en niet: 'Neem, begrijp' . Uit zijn brieven blijkt dat hij ondanks zijn ook tegensputterende gevoelens een gedisciplineerd gebedsleven kende.

Verstand en gevoel, rede en verbeelding worden vaak tegenover elkaar uitgespeeld. Lewis laat ons zien dat dat niet hoeft. In zijn leven en in zijn werk. God schiep ons met lichaam, ziel en geest; met verstand en gevoel, met lichamelijke behoeftes en verlangens van onze ziel. Waar die dingen op zichzelf genomen worden, gaan zij hun doel missen. Maar naarmate we meer en meer op Gods werkelijkheid buiten ons gericht zijn, gaan alle menselijke vermogens functioneren op de manier waarop onze Schepper ze bedoeld heeft. Heb de Here uw God lief -  met alles wie je bent.


Bijbelleessuggestie:
In Hebreeën 11: 8-10 lezen we over Abraham die in zijn denken en ervaring vast wel eens vastgelopen is.

Om over na te denken / gespreksvragen:
1. Hoe reageerde Abraham op momenten dat hij 'het even niet meer zag zitten'?
2. Wat was Abrahams geheim waardoor hij ondanks het niet zien of ervaren doorging?
3. Welke rol spelen ons verstand en verlangen op zulke momenten?

Groei 2003-2


Auteur : Mr. drs. Timon Ramaker

Timon Ramaker is getrouwd met Heidi, vader van Naomi en Steijn en doceert media-ethiek en filosofie aan de Christelijke Hogeschool Ede. Hij schreef onder meer het toegankelijke ‘Sprekend boek. God ervaren in de bijbel?’ (Groeispecial) en is medeauteur van ‘Bij zinnen komen’, een boek over de belevingscultuur (Buijten & Schipperheijn – Amsterdam).


De informatie op deze pagina is afkomstig uit het tijdschrift "Groei".
U kunt deze informatie online vinden op http://www.groei.org
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:
Stichting Proclama
Postbus 271
3940 AG Doorn
Telefoon 0343 - 449 419
Fax 0343 - 449 418
Email : redactie@groei.org

Bezoekadres: "Het Berghuys"
Bergweg 1
3941 RA Doorn
(alleen na afspraak)