![]() | God voert ons langs moeilijke omwegenDrs. Wim Rietkerk |
Het volk Israël is uitgeleid uit het diensthuis Egypte. Nu moeten ze aan Gods hand op weg naar een onbekende toekomst. God leidt hen echter niet naar het beloofde land langs een rechte weg zonder problemen. Ze worden op een lange omweg geleid waarop ze dreigen stuk te lopen. Zo kunnen ook wij op wegen geleid worden die we niet begrijpen. Belooft God ons geen vrede?
Waarom moeten ons allerlei moeiten overkomen: een ziekte, een crisis, huwelijksproblemen, ontslag uit een fijne baan, het overlijden van een geliefde?
God leidt ons de woestijn in, omdat Hij ons iets heel wezenlijks wil leren, namelijk dat we op Hem kunnen vertrouwen.
In het bijbelgedeelte dat vertelt over Israëls uittocht treft mij allereerst iets vreemds (zie Exodus 13:17 - 14:31). De Israëlieten trekken uit in slagorde, de mannen lopen in militair goed doordachte opstelling vooraan en achteraan, de vrouwen en kinderen in het midden. Maar het rare is dat helemaal in het hart van die stoet een lijkkist wordt meegedragen. Wat zullen de kinderen gedacht hebben? Is Mozes dood? Nee, die loopt daar voorop. Wie is het dan? Hun ouders zullen het hun verteld hebben: dat is Jozef. Jozef was hun grote voorvader aan wie zij hun leven te danken hadden, want anders zouden ze verhongerd zijn. Jozef had vierhonderd jaar geleden al gezegd: God zal naar jullie omzien en jullie naar het beloofde land brengen en als het zover is dan wil ik erbij zijn. Zo zeker geloofde Jozef dat hen een nieuw leven wachtte in het beloofde land. Daar zou zelfs de dode een nieuw begin krijgen. Die kist in het midden is dus een geweldig teken van de zekerheid van de belofte van God, een monument van vertrouwen.
Omweg
Dan is er nog iets vreemds. God leidt hen niet op de kortste weg, dat zou de kustweg geweest zijn, een rechte weg. De tocht naar het land Kanaän zou een kwestie van dagen zijn geweest. Maar de Here leidt hen naar de Schelfzee, daar waar rietplassen liggen, brakke grond met riet waar geen sterveling doorheen komt. En daarna moeten ze door de woestijn. Wat een kwestie van dagen leek, werd een zaak van jaren. Veertig jaar, noem dat maar een omweg.
Hier worden we dus geconfronteerd enerzijds met het wonder van Gods leiding, maar anderzijds ook met het probleem van Zijn leiding in ons leven. Gods leiding is een duidelijk thema in deze bijbelpassage. In hoofdstuk 14:8 staat dat ze werden geleid door een verheven hand. Het lijkt alsof dit gedeelte ons dus wil bezweren dat we mogen geloven in de leiding van God. Je ziet het niet altijd, maar het is wel de verborgen achtergrond achter ons leven. Maar dat is nu juist het probleem: die leiding is niet altijd te zien. Ik ben er zeker van dat voor iedereen die werkt in het Koninkrijk van God - of je nu zendingswerk doet of een gezin opvoedt, de Bijbel vertaalt of een brug bouwt - er altijd van die momenten zijn waarop je precies dat overkomt wat hier Israël overkomt: je voelt je op een omweg gezet waar je niets van snapt.
Nog niet klaar
Het bijzondere is dat hier een verklaring gegeven wordt voor Gods handelen. Achter die omweg zit geen grillig lot of toeval en ook geen wrede hand. Dat horen we uit het innerlijk overleg van God (Exodus 13:17). God denkt: als Ik ze nu op die rechte weg breng, dan staan ze binnen een paar dagen aan de grens die door een sterke militaire Egyptische legermacht is afgeschermd en dan moeten ze direct vechten. Zijn ze daar al klaar voor? Nee, dan zullen ze berouw krijgen en terugkeren naar Egypte.
Ze zijn er nog niet klaar voor. Als God ons op omwegen zet, dan doet Hij dat omdat we nog niet klaar zijn voor datgene waarvoor Hij ons gereed wil maken. Dat betekent dat we op die omweg, die nodig is omdat we het anders nooit zouden leren, karakter moeten leren krijgen. We moeten de spieren van het geloof stalen, leren op God te vertrouwen ook als we niet zien waar het naartoe gaat. Zo'n vertrouwen hebben we niet zomaar, dat leren we alleen door de moeiten heen. De profeten noemen de woestijntijd van Israël later Gods verkeringstijd, de tijd dat God verkering had met Israël. Zo'n tijd van verkering is een tijd waarin je leert wat je aan elkaar hebt. Israël moest leren, wat toch de kern is van het geloof, dat God er echt is. Dat geldt ook voor ons: door de moeiten heen ontdekken we dat God er werkelijk is. We beelden het ons niet in, we praten het niet na, het is niet alleen een vrome wensdroom, want op het moment dat wij in de diepte zitten, is God daar en redt Hij ons uit de nood.
Ontmaskering
Pas op die omwegen wordt God God en de duivel de duivel. Dat zien we in het tweede deel van de geschiedenis van de doortocht. Want als Farao via zijn spionnen hoort dat Israël afgedwaald is en heen en weer zwerft voor de Schelfzee, dan ineens komt er bij de Farao uit wat ten diepste in hem zit. Dan springt hij als de machtige Tom op de kleine Jerry. Maar de Here zegt tegen Mozes: Ik laat dit zo gebeuren, want dan kan Ik pas goed laten zien wat er ook in Mij zit (vers 18). Die omweg heeft dus een tweevoudige uitwerking: de duivel wordt ontmaskerd als duivel en God komt aan het licht als God. Dat is ten diepste de zin van de geschiedenis. De Here ontlokte dus aan de Farao wat er eigenlijk in zijn hart zat. Dat is de betekenis van: Hij verhardde het hart van Farao. De Here houdt hem als het ware het lokaas voor ogen om op het moment waarop de Farao zijn ware gezicht laat zien toe te springen om hem in de val te laten lopen. En dan wordt zichtbaar wie uiteindelijk de overwinnaar is. Precies als in het Nieuwe Testament: op het moment waarop de duivel denkt dat hij Jezus te pakken heeft, zegt Jezus: "Het is volbracht" en is de satan verslagen. Zelfs de verschrikkelijke jodenvervolging in de laatste oorlogen mogen we in zo'n licht zien. Toen de duivel de duivel werd, gaf God Israël zijn land terug. Zonder Auschwitz zou Israël nooit zijn eigen land terug hebben gekregen.
Overmacht
Maar dat gebeurt door diepten heen. Want als de Farao aan de horizon verschijnt, dan is zijn optreden zo imponerend dat Israël werkelijk nergens meer blijft. Zeshonderd strijdwagens met getrainde militairen jagen dit weerloze volk op en omsingelen het totdat ze geen kant meer op kunnen. Zodra de Israëlieten dan de ogen opslaan en de grote overmacht zien, zinken ze weg in doffe wanhoop. Net als Petrus die wandelend op het water alleen maar de golven en de storm zag. Het woordje 'zien' speelt in vers 10-14 een belangrijke rol: waar kijken we naar, naar de overmacht of naar God? In hun radeloosheid heffen de Israëlieten dan hun vuist op naar God en verwijten ze Mozes dat hij hen beter in Egypte had kunnen laten sterven. Had hij hen maar met rust gelaten in plaats van hun hier een bittere dood te bezorgen. Zo diep kun je wegzinken dat je op een gegeven moment denkt: was ik maar nooit op die weg van het geloof gegaan. Het was veel fijner geweest als ik gewoon met alle andere mensen mee zou hebben geleefd, genieten van het leven, in plaats van op deze moeilijke weg te gaan van steeds maar weer vertrouwen op God. Dat is het moment waarop God ons gaat beschamen zoals hier ook Israël. Op een manier waarop ze het nooit vergeten zijn. Meer dan 3000 jaar geleden is dit gebeurd, tot vandaag toe wordt het in alle synagogen en kerken herdacht.
Maar wat moet je doen als je midden op zo'n doodlopende weg lijkt te staan? Want dan zie je de redding nog niet. Je ziet alleen de vijand achter je en de Schelfzee voor je, je zit klem. Dat lezen we in wat Mozes tot Israël zegt: "Vreest niet, houdt stand (…) de HERE zal voor u strijden." Staar je niet blind op de Farao, (weer dat 'zien'), maar denk eraan wat je straks zult zien, namelijk de overwinning van God.
Zo houdt Mozes Israël de belofte van God voor, die God ook steeds onderstreepte met tekenen van Zijn trouw en nabijheid. Want overdag ging steeds de wolkkolom en 's nachts de vuurkolom van Gods presentie voor hen uit (sommigen hebben gedacht aan een vulkanisch verschijnsel en anderen aan wervelwinden). Bovendien droegen ze het teken van Jozef mee, van een man die ook zo'n ongelooflijke omweg had gemaakt, die via de put, Potifar en de gevangenis uiteindelijk de onderkoning werd die zijn hongerige volk kon helpen.
Een wonderlijke weg
"De HERE zal voor u strijden", zegt Mozes. Hoeft Israël dan helemaal niets te doen? Er staat maar één ding: het enige dat Israël moet doen is opbreken. Niet bidden, maar opbreken. Wonderlijk. Wat moeten de Egyptenaren gedacht hebben toen ze opmerkten dat Israël midden in de nacht de tentpinnen los ging trekken en alles invouwde, op de rug nam, iedereen in slagorde opstelde en op weg ging. Maar waar naartoe? Voor hen ligt de watermassa, achter hen de vijand. Ze moesten op weg gaan voordat er ook maar iets zichtbaar werd van Gods reddende hand. Mozes gaat voorop met de staf. En de Here zegt tot hem: "Hef uw staf op en strek uw hand uit (…) en de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de HERE ben". Net zoals Jozua later, als ze het beloofde land willen binnentrekken, tegen de priesters die voorop lopen zegt: "Je moet lopen tot aan het water en je voet in het water zetten en op dat moment zal God uitkomst geven." Soms moeten we in blind vertrouwen doen wat God zegt. En als Mozes en Israël dat ook daadwerkelijk doen, als Israël in slagorde klaar staat en Mozes zijn hand uitstrekt over het water, dan valt daar dat pad door de zee. Een krachtige oostenwind blaast op dat moment de wateren uiteen, zodat Israël erdoorheen kan trekken. Als Egypte met al zijn strijdwagens daar achteraan jaagt, vloeit het water, net als ze halverwege zitten en niet meer terug kunnen, langzaam weer terug, zodat de raderen van hun wagens vastraken in de modder. En als Israël op de kant is, dan vloeit het water toe en wordt heel de legermacht van Egypte verzwolgen door de wateren.
Model
Zo laat God zien wie Hij is en leidt Hij Zijn volk door de diepten heen. Het is een machtig beeld voor dat wat in het klein een model is voor heel de wereldgeschiedenis. Wij die leven na de uittocht, want op Golgotha is de redding al aangebracht, moeten eveneens zo volhouden. Volhouden op grond van de belofte van God. We worden begeleid door Zijn tekenen van presentie. We moeten achter de Here aan gaan en dan zal Hij ons leiden en zich groot maken tegenover de Vijand.
Zo moeten we leren in vertrouwen op God een onbekende toekomst tegemoet te gaan. Niets is zo erg als gezapige christenen, die zich wel gered weten, maar voor de rest neerzitten bij de vleespotten van Egypte. Die niet echt met God op weg willen gaan, maar op hun lauweren rusten. Nu, deze geschiedenis roept ons op om echt achter de Here aan Zijn Rijk te zoeken en dat tot het eerste doel van ons leven te maken. Dan geeft God ons een weg waarop we iets van Zijn Rijk zichtbaar mogen maken. Soms via omwegen die ons de wanhoop nabij brengen. Dan komt het erop aan om vol te houden en te blijven geloven in Zijn verborgen liefdesbedoeling achter ons leven. Gaandeweg mogen we leren dat we op God kunnen vertrouwen. Want als wij in geloof optrekken, dan redt Hij ons uit op duizendlei wijzen.
Bijbelleessuggesties:
Exodus 13:17 - 14:31
Jozua 3
Om over na te denken / gespreksvragen:
1. Weet u zich geleid door God in uw leven?
2. Kunt u meepraten over omwegen? En over uitredding?
3. Wat maakt dat u moeilijk kunt vertrouwen?
4. Doet zien geloven?
Bewerking: Drs. Marleen Hengelaar-Rookmaaker
Groei 2002-4
Auteur : Drs. Wim Rietkerk
Drs. Wim Rietkerk (1941) is getrouwd, vader van drie volwassen kinderen en opa van zes kleinkinderen. Sinds 1979 woont hij in Utrecht in een huis van L'abri. Dit is een jongeren woon-, studie- en leefgemeenschap. Het L’abriwerk werd in 1955 door dr. Francis Schaeffer opgerichte en het gaat daarbij om toerusting op het gebied van fundamentele levensvragen.
Wim Rietkerk is raadslid van de ChristenUnie in Utrecht en daarnaast is zijn voornaamste taak het leidinggeven aan het werk van L'abri in Nederland en daarbuiten. Er zijn L'abri-centra in 8 landen.(zie www.labri.com ) Verder is hij internationaal bestuurslid van het European Leadership Forum, dat jaarlijks een internationale conferentie belegt in Sopron in Hongarije. Hier proberen zij om met name Oost Europeanen om te scholen tot christen democraten. Er zijn enkele boeken verschenen van zijn hand onder de titel: Ik wou dat ik kon geloven (Kok – Kampen), In dubio (Novapres – Apeldoorn) De kunst van het loslaten' (Kok – Kampen) en Die ver is, is nabij (Kok – Kampen).
De informatie op deze pagina is afkomstig uit het tijdschrift "Groei".
U kunt deze informatie online vinden op http://www.groei.org
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:
Stichting Proclama
Postbus 271
3940 AG Doorn
Telefoon 0343 - 449 419
Fax 0343 - 449 418
Email : redactie@groei.org
Bezoekadres: "Het Berghuys"
Bergweg 1
3941 RA Doorn
(alleen na afspraak)