
![]() | ELKAAR VERDRAGEN MAG GEEN THEORIE BLIJVEN Drs. Nynke Dijkstra-Algra |
Is de één toch niet een beetje belangrijker dan de ander in de gemeente?
Het beeld van de gemeente als lichaam van Christus is bekend (je kunt het vinden in 1 Corinthiërs 12). De gemeente van Jezus Christus is als een lichaam, het lichaam van Christus. De verschillende lichaamsdelen (gemeenteleden) vullen elkaar aan. Ieder lid is nodig, niemand is dus overbodig. De Geest geeft gaven aan 'een ieder' en slaat dus niemand over. We leven in verbondenheid (ons geloof in de ene Heer) en vandaaruit zijn we verscheiden, verschillend. De nadruk ligt daarbij niet zozeer op verscheidenheid aan meningen of richtingen, maar op de verscheidenheid aan gaven. Of, zoals Elly en Rikkert zingen: "Niemand is minder, niemand is meer, ieder is nodig bij de Heer."
De praktijk is vaak weerbarstig. "Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt", zegt Jezus. "Laat het oordeel maar aan God over", voegt Paulus toe. Kennelijk was het nodig dit in allerlei toonaarden te herhalen. "Verdraag elkaar." Het lijkt zo minimaal, maar intussen is het blijkbaar iets wat niet gehaald wordt. 1 Corinthiërs 12 is ook niet voor niets geschreven, het is gericht tegen een gemeente die er niet naar leeft. Een gemeente, waarbinnen mensen met elkaar gingen concurreren. Er was wedijver over de gaven van de Geest. De één voelde zich meer dan de ander, waardoor mensen zich minderwaardig gingen voelen.
Theorie en praktijk
Hoe zit dat met de gemeente van nu? Iedereen is het er in theorie over eens dat we allemaal de moeite waard zijn en dat iedereen zijn bijdrage kan hebben in de gemeente. Maar in de praktijk maken we onderscheid tussen mensen. De één is toch echt belangrijker dan de ander en geniet meer aanzien. We zeggen dat niet hardop, maar we beleven het wel zo.
Luisteren we echt op een gelijkwaardige manier naar elkaar? Of hebben we de ander eigenlijk al 'geplaatst'? O, die, die is labiel, eigenwijs, vrijzinnig of juist veel te streng in de leer, niet écht bekeerd, geen échte christen, te politiek, te kritisch, te naïef, te idealistisch… op alle mogelijke manieren kunnen we mensen met dergelijke labels onschadelijk maken. Hij of zij mag niet echt meepraten, wordt niet serieus genomen.
Geloven we echt dat de Geest Zijn gaven uitdeelt zoals de Geest dat wil? Of bemoeien we ons liever met het werk van de Geest en bepalen wezelf wie er wel of niet mag meedoen en hoe… Het vergt oefening om telkens weer ruimte te maken voor die broeder of zuster die mij misschien niet helemaal bevalt, maar die toch deel uitmaakt van dezelfde gemeente. Wij bepalen niet zelf wie God samenroept… (als we dat zouden doen, zouden de gemeentes misschien wel veel eenzijdiger en in elk geval kleiner zijn).
Hoe oefenen we onszelf in het ontvangen van de ander als broeder en zuster? Ik kan een paar manieren verzinnen:
1. Probeer te zien welke gave God hem of haar geschonken heeft. Die broeder, die ik zo lastig vind, heeft hij misschien profetische gaven? Die zuster, die nooit eens flink stelling neemt, heeft zij misschien pastorale gaven?
2. Probeer de ander eens te bevestigen en te bemoedigen. We zijn in Nederland snel met kritiek, langzaam met complimentjes. Als je geraakt wordt door een preek, door mooie muziek, het kinderkoor, als je de koster telkens hard ziet werken om de organisatie voor elkaar te hebben en te houden, als je de jeugdwerkleiders zich zien inspannen voor jouw kinderen: heb je ze wel eens bedankt? Laat je het weten dat je het gewaardeerd hebt? Een complimentje per week is een goed begin…
3. Bid voor de ander. Dat is natuurlijk een oefening die in dit nummer niet kan ontbreken. Je kunt danken voor je broeders en zusters, juist ook voor hen die zo anders zijn dan jij. Je kunt ook bidden dat je hen met Gods ogen leert zien. "Heer, ik erger me nogal eens aan… maar U hebt hem gemaakt, U kent hem. Laat mij zien hoe ik hem kan leren verdragen, waarderen, misschien zelfs liefhebben."
Ontdek je gaven
Complimentjes geven, elkaar bevestigen en bemoedigen: we vinden het al snel overdreven. Veel oudere mensen zijn opgevoed met de gedachte dat we zondig zijn en beperkt. Als daar alle nadruk op ligt, is het moeilijk om ineens te gaan nadenken over je gaven en mogelijkheden. Toch zou je het een kwestie van geloofsgehoorzaamheid kunnen noemen om op zoek te gaan, niet alleen naar de gaven van de ander, maar ook naar die van jezelf. "God maakt geen prutswerk", zei iemand eens. Al bij je schepping, je prille begin was Hij betrokken, staat te lezen in Psalm 139. Hij schenkt de gaven van de Geest, sommige al vanaf je geboorte (misschien kun je dat ook talenten noemen), andere komen er later bij, als je groeit in geloof en ontvankelijk bent en blijft voor wat de Geest kan geven. Dat kan ook bepaald worden door de situatie: in een bepaalde taak of moment kan de Geest je 'bekwaam maken'. Het is een dynamisch gebeuren. Ook hierin speelt het gebed een rol: "Heer, welke gaven hebt U mij gegeven, naar welke gaven mag ik mij uitstrekken? Leer mij Uw weg, vul mij met Uw Heilige Geest." Daarbij kunnen je broeders en zusters je verder op weg helpen. Wat zien zij in jou? Het kan een heel proces zijn: ontdekken wie je bent, wat God aan jou geschonken heeft. Wat kan jouw bijdrage zijn in het lichaam van Christus? Ontdek je plekje.
Natuurlijk kan dat alles niet zonder de liefde. Na 1 Corinthiërs 12 volgt 1 Corinthiërs 13: "De weg die nog veel verder omhoog voert." Dat is de weg van de liefde. Zonder liefde is iedere gave van de Geest waardeloos. Dan worden gaven gebruikt voor eigen eer en gewin. Je gaat denken dat het alleen op jouw manier kan en goed is, dat jouw gave eigenlijk de hoogste is. Of - omgekeerd - je gaat denken dat jouw gave niets voorstelt, je wordt bitter omdat je niet gezien wordt, omdat de bemoediging ontbreekt. Zonder liefde komen er processen op gang die mensen doen verzanden. De verbondenheid verdwijnt, gemeenteleden leven als los zand naast elkaar, ontmoeten elkaar niet werkelijk. Iemand met de gave van onderricht kan een eigenwijze betweter worden, iemand met pastorale gaven kan volledig aan alle ellende van de wereld ten onder gaan, iemand met de gave van evangelisatie kan boos worden op gemeenteleden die 'er niks aan doen', enzovoort. Iedere gave kent zijn eigen eenzijdigheid en valkuil. We kunnen elkaar ervoor behoeden als we de liefde bovenaan zetten. In de praktijk betekent dat vaak dat het proces minstens even belangrijk is (zo niet belangrijker) dan het resultaat. Je kunt van alles organiseren in de gemeente en erg druk zijn met beleid en gemeenteopbouw, als je in de loop van dat proces je zusters en broeders uit het oog verliest (bijvoorbeeld door te snel te willen gaan of door te forceren), bereik je niets.
Het betekent in elk geval dat je op zoek blijft naar de echte ontmoeting. Wie ben jij? Waar kom je vandaan? Wat is je achtergrond? Hoe komt het dat je lid bent geworden en gebleven van de kerk? Wat inspireert je? Nieuwsgierig blijven naar elkaar, echt benieuwd zijn naar de ander. Het voorkomt veel ellende.
Bijbelleessuggestie:
1 Corinthiërs 12 en 13.
Om over na te denken / gespreksvragen:
1. Op welke momenten ervaart u 'verbondenheid binnen het lichaam van Christus'?
In het artikel worden drie manieren genoemd om je te oefenen in ´het ontvangen van de ander als broeder en zuster´- welke spreekt u aan? Zijn er nog andere tips te geven?
2. Verscheidenheid van gaven: hebt u ooit nagedacht over uw eigen gaven en mogelijkheden? Hebben andere mensen u wel eens gewezen op uw gaven? En wat leverde dat op?
Groei 2002-1
U bent nu hier
artikel<
Elkaar verdragen mag geen theorie blijven<

Heeft u vragen of wilt u reageren op de aangeboden informatie ?
Klik dan hier
![]()
![]()
We zijn in Nederland snel met kritiek, langzaam met complimentjes.
Iedere gave kent zijn eigen eenzijdigheid en valkuil.